Arbeidsrecht
Bestuursrecht
Bouwrecht
Faillissementsrecht
Familierecht
Handelsrecht
Huurrecht
Intellectueel eigendomsrecht
Ondernemingsrecht
Ontslagrecht
Paardenzaken
Personenrecht
Transportrecht
Faillissementen natuurlijke personen
Faillissementen rechtspersonen
WSNP
Dataroom
Gerechtelijke incasso
Incassoʼs
Internationale incasso
Minnelijke incasso
Uitvoeren van het vonnis
Nieuwspagina
 
Een echtgenote van een DGA heeft recht op een ww-uitkering
02-04-2015
Bron: http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBROT:2015:11&keyword=gezagsverhouding

Bent u DGA en werkt uw partner in uw BV? Dan komt zij in aanmerking voor een WW-uitkering indien er, ondanks de familierelatie, tevens sprake is van een gezagsverhouding.

Indien een echtgenote na het faillissement van de BV een uitkering aanvraagt, wordt deze doorgaans door het UWV afgewezen omdat er een gezagsverhouding zou ontbreken. Blijkens vaste rechtspraak wordt een gezagsverhouding tussen een DGA en zijn of haar partner niet snel aangenomen omdat de familieverhouding overheerst. Dat is alleen anders als de arbeidsrelatie van de partner vergelijkbaar is met de arbeidsrelatie van de andere werknemers. In een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam heeft de echtgenote voldoende aannemelijk weten te maken dat haar arbeidsrelatie vergelijkbaar is met die van andere werknemers door het overleggen van onder andere het arbeidscontract en de loonstroken. De Rechtbank Rotterdam was van oordeel dat haar WW moest worden toegekend.

De Rechtbank Rotterdam verwijst in haar uitspraak onder meer naar jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, maar sinds 2006 is de Hoge Raad de hoogste rechterlijke instantie met betrekking tot de verzekeringsplicht.

De Hoge Raad heeft in 2001 (HR:2001:AA9845) al geoordeeld dat een verhouding van persoonlijke aard niet in de weg hoeft te staan aan een gezagsverhouding. De Hoge Raad voegt daar nu aan toe dat het voor de aanwezigheid van een gezagsverhouding voldoende is dat de werkgever bevoegd is om de werknemer bindende aanwijzingen te geven omtrent het te verrichten werk. Het is niet noodzakelijk dat de werkgever ook daadwerkelijk feitelijk gebruik maakt van deze toekomende bevoegdheid.

Aannemelijk is dat er binnen afzienbare tijd ook een uitspraak komt waarin de rechter geen rekening meer houdt met de familieverhouding en oordeelt dat de partner van de DGA verplicht verzekerd is. Op dit moment is daar nog niet voldoende duidelijkheid over. http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBROT:2015:11&keyword=gezagsverhouding

 

 
Afspraken over ontslagverbod statutair bestuurder rechtsgeldig?
27-03-2015
Bron: ECLI:NL:GHAMS:2015:55 (www.rechtspraak.nl)

Het Gerechtshof Amsterdam heeft onlangs de vraag beantwoord of bij een samenwerking tussen vier aandeelhouders kan worden afgesproken dat drie aandeelhouders de vierde aandeelhouder (die bestuurder is van de vennootschap) niet tegen zijn wil kunnen ontslaan. Dat lijkt in strijd te zijn met de wet, in het bijzonder artikel 2:44 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek.

De bestuurder werd toch ontslagen. Hij stapte naar de kort geding rechter. Die oordeelde dat de bestuuurder inderdaad niet ontslagen kon worden in verband met de afspraken die hij daarover met zijn medeaandeelhouders gemaakt had.

Het Gerechtshof kwam tot een heel ander oordeel. Die oordeelde dat in dit geval het afdwingen van naleving van het contractuele ontslagverbod in strijd was met de redelijlkheid en billijkheid.

 

 
Voor welke schulden is een vennoot in een vof of een commanditaire vennootschap aansprakelijk?
20-03-2015
Bron:

Hebt u zich wel eens afgevraagd of u - als u toetreedt tot een bestaande vof of commanditaire vennootschap - ook voor de op dat moment reeds bestaande schulden aansprakelijk bent? De artikelen 18 en 19 van het Wetboek van Koophandel brengen mee dat de beherend vennoten van een commanditaire vennootschap of vof hoofdelijk aansprakelijk zijn voor alle schulden van de vennootschap. Dit betreft zowel de schulden die al bestonden op het moment dat u toetreedt, als de schulden die nadien ontstaan.

Voor de schuldeisers betekent dat, dat zij een extra verhaalsmogelijkheid hebben, namelijk de nieuw toegetreden vennoot, die ook volledig aansprakelijk is voor de op dat moment reeds bestaande schulden. Dat is ook niet onredelijk. De toetreder kan zelf beslissen of hij daar wel of niet voor aansprakelijk wil zijn, door - voordat hij daadwerkelijk toetreedt - de schuldenpositie eerst te beoordelen, en - als daartoe aanleiding is - garanties van de andere vennoten te bedingen.

Bij een maatschap is dat anders. Een maat in een maatschap bindt in beginsel alleen zichzelf. Als de hele maatschap gebonden is en aansprakelijk is voor een schuld, dan zijn de maten niet hoofdelijk, maar ieder voor een gelijk deel, aansprakelijk, zo oordeelde de Hoge Raad afgelopen week.

In dit geval was de uitkomst, dat de nieuw toegetreden vennoot volledig aansprakelijk was voor de schuld bij het pensioenfonds, die reeds was ontstaan voordat hij vennoot werd van de vof. ( zie Hoge Raad 13 maart 2015 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2015:588)

 

 
Eenzijdige loonsverlaging, wel of niet toegestaan?
19-03-2015
Bron:

In tijden van economische crisis zijn bedrijven soms genoodzaakt kostenbesparende maatregelen te nemen. Een voorbeeld daarvan is het verlagen van personeelskosten middels loonsverlaging. Een goed voorbeeld hiervan is de situatie bij V&D. Laatstgenoemde wenste een loonsverlaging door te voeren. Maar kan dit zomaar?

Nee, een werkgever kan niet zomaar eenzijdig een loonsverlaging doorvoeren. Hiervoor is in beginsel de uitdrukkelijke instemming van de werknemer nodig. Een werknemer zal niet snel akkoord gaan met een loonsverlaging. Dat betekent niet dat een werkgever kansloos is. Hoewel het niet eenvoudig zal zijn voor een werkgever om eenzijdig – dus zonder instemming van de werknemer – een loonsverlaging door te voeren, zijn er wel (beperkte) mogelijkheden.

In een dergelijke situatie is allereerst van belang of er in de arbeidsovereenkomst een eenzijdig wijzigingsbeding is opgenomen. Uit dit beding moet duidelijk blijken welke bepalingen of regelingen eenzijdig gewijzigd kunnen worden. Wanneer het eenzijdig wijzigingsbeding ook betrekking heeft op het overeengekomen loon, dient er vervolgens een belangenafweging gemaakt te worden: de werkgever dient een zo zwaarwichtig belang te hebben dat het belang van de werknemer dat door de wijziging zou worden geschaad, daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken. Voor het aannemen van een dergelijk zwaarwichtig belang dient terughoudendheid betracht te worden. Aan de zijde van de werkgever kan bij een zwaarwichtig belang gedacht worden aan de slechte financiële situatie. Dit moet uiteraard wel onderbouwd worden en is niet altijd reden om een zwaarwichtig belang van de werkgever aan te nemen. Aan de zijde van de werknemer is voornamelijk relevant of hij een sterke daling van zijn inkomen ondervindt. Wanneer dat het geval is, zal een eenzijdige wijziging niet snel worden toegestaan. Dit kan anders zijn wanneer dit wordt gecompenseerd of er een overgangsregeling wordt aangeboden.

Wanneer er geen sprake is van een eenzijdig wijzigingsbeding, kan de werkgever zich beroepen op goed werknemerschap, redelijkheid en billijkheid en/of onvoorziene omstandigheden om een loonsverlaging te rechtvaardigen. Of dit kans van slagen heeft, is sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Uitgangspunt is dat een werknemer in beginsel niet gehouden is voorstellen van de werkgever tot wijziging van de arbeidsvoorwaarden te aanvaarden: daarover moet tussen hen overeenstemming worden bereikt (Hoge Raad d.d. 11 juli 2008, JAR 2008, 204).

 

 
Hoe veilig is een bankgarantie?
19-03-2015
Bron:

Er zijn verschillende soorten bankgaranties die in het zakelijk verkeer gebruikt worden, bijvoorbeeld bij huur, aanneming van werk en aflevering van een machine. De meest verregaande bankgarantie is de zogenaamde abstracte bankgarantie op afroep. Die garantie biedt de hoogste vorm van zekerheid dat de garanderende bank ook daadwerkelijk tot uitbetaling overgaat. De bank moet namelijk de belangen in het oog houden van zowel diegene die de opdracht gaf tot het stellen van de bankgarantie (bijvoorbeeld de huurder of de opdrachtgever voor de bouw, of de koper van de machine) als van diegene te wiens gunste de garantie gesteld is (bijvoorbeeld de verhuurder, de aannemer of de leverancier van de machine).

Daarom moet een bank eigenlijk altijd betalen als aan de voorwaarden, zoals in de garantie geformuleerd, voldaan is. Er is slechts één uitzondering op dat beginsel, nl. als er sprake is van bedrog of willekeur aan de zijde van de begunstigde of diegene in wiens opdracht de bankgarantie verstrekt is. Bij de uitleg van een bankgarantie komt groot gewicht toe aan de strikt te lezen bewoordingen van de garantie.

Of er iets bijzonders aan de hand is in de onderliggende rechtsverhouding waarvoor de bankgarantie gesteld is, is voor de garanderende bank niet van belang. Dat kan in beginsel niet in de weg staan aan de vordering tot betaling uit hoofde van de bankgarantie. Als de bank een beroep wil doen op bedrog of willekeur, moet de bank dat wel direct doen, op het moment dat de bankgarantie afgeroepen wordt. De bank moet dat dan ook voldoende onderbouwen en inzicht geven in de gronden voor haar weigering, De stelling dat de factuur van de aannemer apert onjuist zou zijn, is onvoldoende voor een garanderende bank om geen gevolg te geven aan het verzoek tot uitbetaling door de begunstigde (zie http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2015:600).

 

 
Terugbetaling bedrag en wettelijke rente op basis van later vernietigde uitspraak
20-02-2015
Bron:

De casus:
Gedaagde in eerste aanleg betaalt op grond van een veroordelende uitspraak van de rechtbank een bedrag aan eiser in eerste aanleg. Nu gedaagde in eerste aanleg het met deze uitspraak niet eens is, gaat hij in hoger beroep.

Gedaagde in eerste aanleg vordert in hoger beroep onder meer dat eiser in eerste aanleg genoemd bedrag aan hem terugbetaalt.

Het Gerechtshof vernietigd in hoger beroep de uitspraak van de Rechtbank. Het Gerechtshof vergeet echter de terugbetalingsvordering van gedaagde in eerste aanleg te beoordelen.

De Hoge Raad, het hoogste rechtscollege van Nederland, vernietigt de uitspraak van het Gerechtshof bij arrest van 13 februari 2015 en wijst de terugbetalingsvordering van gedaagde in eerste aanleg alsnog toe.

Met zijn uitspraak bevestigt de Hoge Raad verder dat eiser in eerste aanleg, die de betaling van gedaagde in eerste aanleg heeft ontvangen, vanaf de betalingsdatum zonder ingebrekestelling in verzuim was en dus met ingang van die datum ook wettelijke rente is verschuldigd over het bedrag dat hij aan gedaagde in eerste aanleg moet terugbetalen.

Met andere woorden: na het vernietigen van een uitspraak door een hogere rechter moet de partij die van de andere partij een bedrag heeft ontvangen op grond van een later vernietigde uitspraak, dit bedrag aan die andere partij terugbetalen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag dat hij dat bedrag heeft ontvangen.

Link naar de uitspraak: http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2015:302

 

 
Kinderalimentatie is sinds 1 januari 2015 niet meer aftrekbaar
02-02-2015
Bron:

Wanneer partners gaan scheiden zal er in de meeste gevallen een alimentatieverplichting ontstaan. Die alimentatieverplichting kan bestaan uit de partneralimentatie en/of de kinderalimentatie. Ouders zijn tot de 21e verjaardag van hun kinderen wettelijk verplicht om bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding. De kosten van verzorging en opvoeding worden ook wel de kinderalimentatie genoemd.

Sinds 1 januari 2015 is de kinderalimentatie niet meer (fiscaal) aftrekbaar van de inkomstenbelasting. Dat heeft nadelige consequenties voor ouders die kinderalimentatie betalen.

Situatie tot 31 december 2014
Als uw kind niet zelf in zijn/haar levensonderhoud kan voorzien dan mocht u tot 31 december 2014, onder bepaalde voorwaarden, een vast bedrag voor de kosten van verzorging en opvoeding aftrekken voor de inkomstenbelasting. Er mocht een maximum bedrag aan kinderalimentatie als kosten voor levensonderhoud in aftrek worden gebracht als aan de volgende voorwaarden voldaan werd:
• Uw kind is aan het begin van het kwartaal jonger dan 21 jaar; • Uw kind kan in dat kwartaal niet zelf in zijn/haar levensonderhoud voorzien;
• Uw kind kan in dat kwartaal geen studiefinanciering, tegemoetkoming in de studiekosten of een vergelijkbare (buitenlandse) regeling verkrijgen;
• Uw uitgaven voor het levensonderhoud van uw kind zijn in dat kwartaal minimaal € 416,--.

Situatie per 1 januari 2015
Sinds 1 januari 2015 is de kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar niet meer fiscaal aftrekbaar. Voorheen werd bij het vaststellen van de kinderalimentatie rekening gehouden met het fiscaal voordeel wat tot 31 december 2014 gold. De netto last was door het fiscale voordeel doorgaans lager.

Aangezien de kinderalimentatie momenteel niet langer aftrekbaar is, zal de alimentatiebetaler ook geen fiscaal voordeel meer genieten. Dat alimentatiebetaler loopt door deze wijziging het risico dat hij/zij teveel betaalt aan kinderalimentatie omdat er bij de eerder vastgestelde kinderalimentatie nog wel rekening is gehouden met het fiscale voordeel. De wijziging kan dus tot nadelige financiële consequenties leiden bij de alimentatiebetaler.

De wijziging heeft geen gevolgen voor de ontvanger van de kinderalimentatie omdat daar geen belasting over betaald hoeft te worden.

Herberekening?
De gevolgen van de wijziging voor de alimentatiebetaler kunnen worden verzacht door het vastgestelde bedrag voor kinderalimentatie te verlagen. Het is voor de alimentatiebetalers dan ook raadzaam om de alimentatie aan een herberekening te onderwerpen. Uiteraard kunnen wij een herberekening voor u maken en u helpen bij het doorvoeren van een wijziging ten aanzien van de eerder vastgestelde kinderalimentatie.

 

 
Artikel 39 Faillissementswet (Fw) waarin is bepaald dat de huurprijs vanaf de dag van faillietverklaring boedelschuld is
29-01-2015
Bron:

Artikel 39 Faillissementswet (Fw) waarin is bepaald dat de huurprijs vanaf de dag van faillietverklaring boedelschuld is, geldt ook voor de huur van roerende zaken.

De Hoge Raad heeft op 9 januari 2015 een belangrijk arrest gewezen over de uitleg van artikel 39 Fw. Op grond van dit artikel kan indien de gefailleerde huurder is, zowel de curator als de verhuurder de huur tussentijds opzeggen op een termijn van in beginsel ten hoogste drie maanden. Over het algemeen wordt dit wetsartikel toegepast op huurovereenkomsten met betrekking tot onroerende zaken. De Hoge Raad heeft in dit arrest echter bevestigd, dat dit artikel ook geldt voor roerende zaken.

Een faillissement betekent niet dat automatisch alle lopende (huur)overeenkomsten komen te vervallen. Het faillissement brengt in beginsel geen wijziging in de verbintenissen die voortvloeien uit een overeenkomst.

In de procedure waarin de Hoge Raad dit arrest heeft gewezen, heeft een Kantonrechter een zogenaamde prejudiciële vraag aan de Hoge Raad voorgelegd. De Kantonrechter moest een geschil tussen de curator van een failliete huurder en de verhuurder beoordelen. De huurder en verhuurder hadden een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot bekistingmateriaal (roerende zaken) ten behoeve van een bouwproject. Tijdens de huurperiode ging de huurder echter failliet. De curator had tijdens het faillissement de huur niet opgezegd. De bekistingmaterialen konden technisch gezien nog niet worden geretourneerd. Nadat de materialen wel konden worden opgehaald, heeft verhuurder de huurovereenkomst opgezegd op grond van artikel 39 Fw.

Tijdens de procedure voor de Kantonrechter was de vraag of de huurvorderingen over de drie maanden dat de huur doorliep na het faillissement, aangemerkt moesten worden als zogenaamde boedelvordering of een concurrent vordering. De curator stelde zich in deze procedure op het standpunt dat artikel 39 Fw niet van toepassing was op huurovereenkomsten betreffende roerende zaken. Omdat de Kantonrechter het antwoord op deze vraag ook niet wist, heeft hij deze vraag voorgelegd aan de Hoge Raad.

De Hoge Raad heeft overwogen dat de wetgever met de regeling van artikel 39 Fw de curator de mogelijkheid heeft willen geven om lopende huurovereenkomsten op korte termijn te beëindigen, zodat de verschuldigde huur na het faillissement niet kan oplopen tot een hoog bedrag.

De Hoge Raad overweegt dat volgens de laatste zin van artikel 39 lid 1 Fw de huurprijs vanaf de dag der faillietverklaring een boedelschuld is. Voor deze opzegmogelijkheid wordt de verhuurder gecompenseerd door de huurprijs vanaf de dag der faillietverklaring tot boedelschuld te verklaren en door ook hem de bevoegdheid te geven tot tussentijdse beëindiging van de huurovereenkomst. De Hoge Raad overweegt dat de tekst van art. 39 lid 1 Fw spreekt van ‘huur’, zonder onderscheid te maken tussen huur van onroerende zaken en huur van roerende zaken. Dit wijst erop dat deze bepaling ook van toepassing is op de huur van roerende zaken.

Het voordeel voor een huurder is dat de kans op een uitkering bij een boedelvordering hoger is dan bij een concurrente vordering. Een boedelvordering wordt namelijk door de curator, na voldoening van zijn eigen salaris en enkele andere preferente boedelschulden, als eerste uit de baten van het faillissement voldaan en heeft dus voorrang op een crediteur met een gewone (concurrente) schuld.

[1] http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:PHR:2014:2274


 

 
Vrije advocaatkeuze: het houdt de gemoederen bezig.
22-01-2015
Bron: www.advocatie.nl

Het Europese Hof van Justitie heeft reeds in november 2013 bepaald dat een rechtsbijstandverzekeraar de verzekerden een vrije advocaatkeuze moet bieden. Het Hof heeft destijds vastgesteld dat de vrije advocaatkeuze geldt bij alle procedures, dus ook procedures waarvoor procesvertegenwoordiging niet verplicht is.

De Hoge Raad heeft in cassatie het recht op vrije advocaatkeuze door rechtsbijstandverzekerden formeel bevestigd. De Hoge Raad concludeerde dat het recht op vrije advocaatkeuze ‘niet afhankelijk mag zijn van een besluit van de rechtsbijstandverzekeraar dat een zaak door een externe rechtshulpverlener moet worden behandeld’.

Als gevolg van deze beslissing paste DAS de polisvoorwaarden aan, maar de verzekeraar bleef erbij dat ontslagprocedures bij het UWV niet onder de vrije advocaatkeuze vallen. Er is volgens DAS in dit geval namelijk geen sprake van ‘een administratieve procedure’ – er komt geen rechter bij kijken – en de wet bepaalt dat verzekerden alleen zelf hun advocaat mogen kiezen in het geval van een rechterlijke dan wel administratieve procedure.

De bescherming van de belangen van verzekerden omtrent de vrije advocaatkeuze lijkt in te gaan tegen de ‘restrictieve uitlegging’ van DAS, stelt de Hoge Raad in een uitspraak van 3 oktober 2014. Ook in een UWV-procedure kan een verzekerde immers behoefte hebben aan rechtsbijstand door een advocaat.

Toch is er volgens Hoge Raad geen waterdicht uitsluitsel over wat nu de exacte definitie is van een ‘gerechtelijke of administratieve procedure’ en of een UWV-procedure na een verzoek tot ontslag door een werkgever onder dat begrip valt. Het is nu aan het Hof om uitsluitsel te geven over de vraag hoe Nederlandse rechters hiermee om moet gaan.

Gingen er in oktober vorig jaar vanuit de Hoge Raad al vragen over de bandbreedte van de vrije advocaatkeuze voor rechtsbijstandverzekerden in een procedure bij het UWV naar het Hof van Justitie van de EU, nu is dat het geval met een bezwaarprocedure bij het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) in het kader van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Het Gerechtshof Amsterdam wil van het Hof weten of de bezwaarschriftprocedure bij het CIZ een ‘administratieve procedure’ is.

Kortom, de vrije advocaatkeuze voor rechtsbijstandverzekerden blijft de gemoederen bezig houden.

 

 
De klachtplicht van de koper
19-01-2015
Bron: www.rechtspraak.nl

In een recente uitspraak van de Hoge Raad, het hoogste rechtscollege van Nederland, ging het om de koop/verkoop van een partij petten. De koper weigerde de koopprijs voor de petten te betalen. Daarop heeft de verkoper de koper in rechte gedagvaard en betaling van de koopprijs gevorderd.

De koper heeft pas laat na de levering van de petten bij verkoper geklaagd en toen pas aangegeven dat de geleverde petten gebreken zouden hebben (zogeheten non-conformiteit). Volgens de koper behoefde hij daarom de koopprijs niet aan de verkoper te betalen.

In de procedure bij de Hoge Raad ging het om de vraag of de koper tijdig heeft geklaagd bij de verkoper over de gebreken aan de petten en welke omstandigheden daarbij een rol spelen.

De wet zegt in artikel 7:23 BW dat de koper een klachtplicht heeft. De koper dient namelijk binnen bekwame tijd nadat hij de non-conformiteit (in dit geval de gebreken aan de petten) heeft ontdekt of redelijkerwijs had behoren te ontdekken, verkoper daarvan in kennis stellen.

Als de verkoper in de procedure het verweer voert dat de koper niet tijdig heeft geklaagd, dan dient de koper in de procedure aan te geven/te bewijzen op welk moment door hem is geklaagd.

De vraag of de koper binnen bekwame tijd heeft geklaagd over de gebreken, kan volgens de Hoge Raad niet in algemene zin worden beantwoord. Het gaat daarbij kort gezegd om alle omstandigheden van het geval, waaronder het antwoord op de vraag of de verkoper nadeel lijdt door het in een laat stadium klagen door de koper.

Bij een beroep door verkoper op de klachtplicht van artikel 7:23 BW hoeft de rechter volgens de Hoge Raad niet zelf te onderzoeken of de verkoper relevant nadeel heeft geleden door het pas laat klagen van de koper. De koper dient in de procedure aan te geven dat de verkoper daardoor geen relevant nadeel heeft geleden.

Het is dus voor de koper van groot belang tijdig - en bij voorkeur schriftelijk – bij de verkoper te klagen indien de koper meent dat de geleverde zaken gebreken vertonen. Dit om discussie daarover in een procedure en hoge kosten zoveel mogelijk te voorkomen.

Link naar de uitspraak: http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2014:3593

 

 
Verkoop gekopieerde meubelstukken via internet
12-01-2015
Bron: www.rechtspraak.nl

De Rechtbank Amsterdam heeft in een vonnis van 24 december jl. in een procedure enkele Engelse firma’s en hun bestuurder persoonlijk veroordeeld, de inbreuk op auteursrechten van enkele Italiaanse firma’s te staken en de schade te vergoeden. Het gaat om meubelstukken en verlichtingsmodellen. De verkoop vond plaats via Engelstalige internetsites, zonder Nederlands adres. Toch oordeelt de Rechtbank dat de inbreuk ook in Nederland plaatsvindt, omdat er vanuit Nederland wel goederen bij de Engelse firma’s kunnen worden besteld. De Nederlandse markt is niet uitdrukkelijk uitgesloten op de betreffende websites. Ook vanuit Nederland konden bestellingen worden gedaan op de Engelse websites. De betaling kon ook via een Nederlands betaalsysteem, dat in andere Europese landen niet bestaat (iDeal) plaatsvinden. Daarom heeft de Rechtbank het Nederlandse recht toegepast Dat er sprake is van kopieën van beschermde producten is niet bestreden in de procedure. Dat wist de directeur van de Engelse firma’s heel goed. Daarom is ook de directeur persoonlijk veroordeeld. Hij wist immers dat er sprake was van een inbreuk en bood de goederen desalniettemin via internet te koop aan. Dat is iets om rekening mee te houden.

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBAMS:2014:9087.

 

 
Onderwaarde van de woning bij echtscheiding
17 december 2014
Bron: ECLI:NL:HR:2014:2929

In de huidige malaise op de woningmarkt worden steeds meer echtelieden die willen scheiden geconfronteerd met het feit dat de woning minder waard is dan de hypotheek die daarop rust. Tot voor kort ging iedereen er eigenlijk vanuit dat de echtgenoot die vertrekt dan aansprakelijk is voor de helft van de onderwaarde die hij/zij dan moet betalen aan diegene die de woning en de hypotheek toegewezen krijgt. Zeer recentelijk is gebleken dat de Rechtbank daar toch wat genuanceerder tegenaan kijkt. Daarbij hanteert de Rechtbank als uitgangspunt dat de hypotheekschuld op dit moment niet opeisbaar is en dat er pas in de toekomst afgerekend hoeft te worden met de bank. Diegene die de woning toegescheiden krijgt heeft een goed betaalbare woning die ook nog eens mooi is ingericht en hoeft daar ook geen kosten voor te maken. De Rechtbank oordeelde dat het daarom billijk is om de onderwaarde contant te maken over een termijn van 10 jaar (de door de Rechtbank ingeschatte termijn dat die persoon nog in de woning blijft wonen) en komt daarmee ver onder de werkelijke onderwaarde uit die de vertrekkende echtgenoot moet vergoeden.

In een andere zaak oordeelde een andere Rechtbank min of meer hetzelfde, maar betrok daarbij ook het feit dat vanwege een gezamenlijke geloofsovertuiging, de vrouw haar opleiding heeft stop gezet en de zorg voor de kinderen op zich heeft genomen, waardoor zij een beperkte verdiencapaciteit heeft. Bovendien had zij geen liquide middelen. In die zaak kwam de Rechtbank tot het oordeel dat de vrouw slechts een kwart van de onderwaarde aan de man behoefde te vergoeden en dat zij die bovendien pas hoefde te betalen op een moment dat zij weer over voldoende inkomsten beschikt. Dat staat allemaal niet in de wet, maar baseert de Rechtbank op redelijkheid en billijkheid. Er zijn dus mogelijkheden voor diegene die uit de woning vertrekt om niet volledig aansprakelijk gehouden te worden voor een eventuele restantschuld/onderwaarde.
(ECLI: NL:RBMNE:2014:5338 en ECLI:NL:RBGEL:2014:7010)

 

 
Kredietopzegging door de bank; mag dat zomaar?
17 december 2014
Bron: ECLI:NL:HR:2014:2929
Op krediet overeenkomsten met banken, zijn de algemene voorwaarden van de Nederlandse Vereniging van Banken van toepassing. Daarin is geregeld dat het krediet vervroegd opgeëist kan worden als de kredietnemer haar verplichtingen niet of niet-tijdig nakomt. Als de bank dat doet moet er een boeterente betaald worden vanwege de vervroegde aflossing. In diezelfde algemene bepalingen is ook verwoord dat de bank de nodige zorgvuldigheid in acht moet nemen bij de verlening van haar diensten en naar beste vermogen rekening moet houden met de belangen van de cliënt. In een recente uitspraak oordeelde de Hoge Raad dat de ING in die zaak met betrekking tot de rentevaste leningen niet de nodige zorgvuldigheid in acht had genomen bij de opzegging omdat de cliënt steeds aan haar betalingsverplichting had voldaan en de bank geen (krediet)risico liep nu de waarde van de gestelde zekerheden de waarde van de leningen flink oversteeg. Volgens de rechter liet de ING haar eigen belang te zwaar wegen. De beëindiging van de rentevaste leningen, waardoor de cliënt boeterente verschuldigd zou worden, oordeelde de Hoge Raad naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid daarom onaanvaardbaar.
ECLI:NL:HR:2014:2929
 

 
Nieuwe regels arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd
16 december 2014
Bron:

Per 1 januari 2015 treedt de Wet Werk en Zekerheid in werking. Eén van de bijzondere regelingen uit die wet is dat bij arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, die aflopen vanaf 1 februari 2015, de werkgever aan de werknemer uiterlijk een maand voor de afloop van die arbeidsovereenkomst schriftelijk dient mee te delen:
1. of de werkgever de arbeidsovereenkomst al dan niet wil voortzetten; en zo ja,
2. onder welke voorwaarden.
Deze verplichting geldt voor tijdelijke arbeidsovereenkomsten met een looptijd van 6 maanden of langer. Als de werkgever helemaal niet aan deze aanzegplicht voldoet moet hij de werknemer een maand loon betalen. Als hij de werknemer te laat informeert, dan moet hij de werknemer voor iedere dag dat de werkgever te laat is met zijn aanzegging een dag loon betalen. Als de werkgever niet volledig aan zijn aanzegplicht heeft voldaan wordt de arbeidsovereenkomst voor dezelfde looptijd voortgezet voor ten hoogste 1 jaar op de bestaande condities. Deze aanzegplicht geldt niet voor tijdelijke arbeidsovereenkomsten waarin geen vaste einddatum is opgenomen ( bijvoorbeeld bij vervanging tijdens ziekte). U doet er dus verstandig aan direct te gaan inventariseren welke arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd u hebt en te agenderen wanneer u de werknemer moet informeren. Let goed op. De eerste verplichting ontstaat al voor het einde van deze maand!

 

 
Mededelingsplicht inroepen rechten bodemzaken
15 oktober 2014
Bron: Kolkman Advocaten
Op 1 januari 2013 trad een wetswijziging in werking ten aanzien van het bodemrecht. Wat velen zich nog niet beseffen, is dat het voor derden-eigenaren, leasemaatschappijen, pandhouders en andere zekerheidsgerechtigden sindsdien nog lastiger is geworden om de wettelijk verankerde voorrangspositie van de Belastingdienst te ontlopen. Wilt u uw rechten op een bodemzaak (machines, inventaris, etc.) uitoefenen, dan moet u de Belastingdienst vooraf informeren. Deze zogenoemde mededelingsplicht geldt ook wanneer u iets gaat doen waardoor de bodemzaken niet meer als bodemzaken kunnen worden aangemerkt.


Rechthebbenden zijn verplicht om de Belastingdienst te informeren wanneer de totale waarde van de bodemzaken meer is dan € 10.000,-- (op dit moment). Melding moet gebeuren via een formulier op de website van de Belastingdienst. Nadat de Belastingdienst is geïnformeerd, mag de rechthebbende vier weken lang geen rechten uitoefenen. Zijn er bepaalde soort belastingschulden, dan mag de Belastingdienst gebruik maken van haar bodem(voor)recht. Pas als de Belastingdienst de vierweekstermijn ongebruikt laat of laat weten de zaken weer vrij te geven komt de rechthebbende weer in beeld. Trekt de rechthebbende zich niets aan van de mededelingsplicht, dan moet deze aan de Belastingdienst de opbrengst of de executiewaarde van de bodemzaak vergoeden; tot maximaal de verkoopopbrengst of de hoogte van de openstaande belastingschulden. De Belastingdienst kan de executiewaarde eenzijdig via een aanslag opleggen. Bezwaar aantekenen is mogelijk, maar leidt tot ongewenste procedures en hoge kosten.
 

 
De Wet werk en zekerheid: ingrijpende veranderingen van het arbeidsrecht
30 september 2014
Bron: Kolkman Advocaten
Onlangs heeft de Eerste Kamer ingestemd met de Wet werk en zekerheid (WWZ). Het arbeidsrecht verandert hierdoor ingrijpend. De WWZ treft verschillende maatregelen die de rechtspositie van de flexwerker moet versterken en voorziet in een hervorming van het ontslagrecht. Hieronder staan de belangrijkste wijzigingen op een rij. 

Wijzigingen per 1 januari 2015 
- vanaf 1 januari 2015 is het niet meer mogelijk een proeftijd overeen te komen bij het aangaan van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van zes maanden of korter; 
- met ingang van 1 januari 2015 geldt voor alle arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd van zes maanden of langer een “aanzegverplichting”. Dit houdt in dat de werkgever verplicht wordt om een werknemer minimaal één maand voor het einde van de arbeidsovereenkomst schriftelijk te informeren of de arbeidsovereenkomst wordt voorgezet en zo ja, onder welke voorwaarden. Zegt een werkgever niet aan dan eindigt de arbeidsovereenkomst weliswaar van rechtswege, maar is de werkgever een vergoeding van één maandsalaris aan de werknemer verschuldigd. Wordt niet tijdig aangezegd, dan is een vergoeding naar rato verschuldigd; 
- vanaf 1 januari 2015 kan de loondoorbetalingsverplichting na de eerste zes maanden van een oproepcontract alleen nog voor specifiek in cao genoemde functies worden uitgesloten. Voorwaarde hiervoor is dat de aan die functies verbonden werkzaamheden incidenteel van aard zijn en geen vaste omvang hebben; 
- vanaf 1 januari 2015 is een concurrentiebeding bij een tijdelijk dienstverband alleen nog toegestaan wanneer hiervoor zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen bestaan en moet er bovendien een schriftelijke motivering overeen worden gekomen. 

Wijzigingen per 1 juli 2015 
- vanaf 1 juli 2015 wijzigt de ketenregeling voor opvolgende tijdelijke contracten. Nu is het zo dat een tijdelijke medewerker na 3 jaar of na 4 contracten een vast contract krijgt als de verschillende tijdelijke contracten binnen 3 maanden opvolgen. Straks wordt dit na een periode van 2 jaar. De opvolgingsperiode wordt 6 maanden in plaats van 3 maanden; 
- per 1 juli 2015 treedt het nieuwe ontslagrecht in werking. De ontslagroute wordt afhankelijk van de reden van opzegging. De werkgever moet naar het UWV indien de ontslaggrond bedrijfseconomische redenen of langdurige arbeidsongeschiktheid betreft. Bij alle andere ontslaggronden moet de werkgever zich tot de Kantonrechter wenden; 
- de ontslagvergoeding wordt een transitievergoeding. De hoogte hiervan is bij wet geregeld en is afhankelijk van het aantal dienstjaren. De transitievergoeding bedraagt voor de eerste 10 jaar van de arbeidsovereenkomst een bedrag gelijk aan 1/3 maandsalaris per dienstjaar; voor de periode daarna 1/2 maandsalaris per dienstjaar. De transitievergoeding is maximaal € 75.000,-- of maximaal één jaarsalaris wanneer de werknemer meer verdient dan dat bedrag; 
- onder het nieuw ontslagrecht is het nog steeds mogelijk om een beëindigingsovereenkomst te sluiten. Ook kan een werknemer schriftelijk instemmen met de opzegging door de werkgever. Onder het nieuwe recht heeft de werknemer echter de mogelijkheid om binnen 14 dagen de instemming te herroepen of de beëindigingsovereenkomst te ontbinden. De werkgever moet de werknemer op deze mogelijkheid wijzen. Doet hij dat niet dan wordt deze termijn verlengd van 14 dagen naar 3 weken.
 

 
Werkgever mag Ipad belastingvrij verstrekken aan werknemers
30 september 2014
Bron: Kolkman Advocaten
Moet een tablet zoals een Ipod gezien worden als een computer of een communicatiemiddel? Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 29 september 2014 bepaald dat de Ipad gezien kan worden als een communicatiemiddel. Werkgevers mogen om die reden een Ipad onder bepaalde voorwaarden belastingvrijverstrekken aan hun werknemers, zonder inhouding van loonheffing.

Het Gerechtshof Arnhem heeft daarmee de eerdere uitspraak van de Rechtbank Haarlem vernietigd waarin werd bepaald dat een Ipad een computer is en daarom niet belastingvrij aan werknemers kan worden verstrekt. (Lees meer…)

Touchscreen
Volgens het Gerechtshof Amsterdam beperkt het touchscreen van de Ipad het gebruik van het apparaat als computer. Typen en invoeren van omvangrijke teksten gaat bij een Ipad minder snel dan bij andere apparaten met een gebruikelijk toetsenbord, zoals bij een laptop of een computer.

Een dergelijke beperking van een touchscreen speelt niet of nauwelijks bij mobiele communicatie zoals WhatsApp, sms’en of e-mailen. Om die reden kan een Ipad worden aangemerkt als communicatiemiddel, aldus het Hof.
Dat heeft tot gevolg dat ‘de werkgever voor wie het zakelijk gebruik van de Ipad van meer dan bijkomstig belang is’ een Ipad belastingvrij kan verstrekken aan zijn werknemers. Dat mag alleen als het zakelijk gebruik ervan boven de 10% ligt.

Let op: werkkostenregeling 2015

Van belang is dat het fiscale onderscheid tussen tablets, computers en smartphones per 1 januari 2015 verdwijnt omdat dan de nieuwe werkkostenregeling voor alle werkgevers verplicht wordt. Zowel voor computers als mobiele communicatiemiddelen (zoals de Ipad) geldt dan het noodzakelijkheidscriterium.
De werkgever kan een werknemer dan een tablet of een ander apparaat geven als hij die nodig heeft voor het werk, zonder dat de werkgever rekening dient te houden met het privévoordeel van de werknemer.
In het huidige stelsel hoeft de werkgever geen belasting af te dragen als een apparaat van het werk voor 90% zakelijk gebruikt wordt. Anders kan het worden gezien als verkapt loon en wordt er belasting geheven over het aankoopbedrag.
 

 
Uitspraak Hoge Raad auteursrechtelijke bescherming Rubiks kubus
19 september 2014
Bron: Kolkman Advocaten
Op 19 september 2014 heeft de Hoge Raad, de hoogste rechterlijke instantie in Nederland, een uitspraak gedaan over de auteursrechtelijke bescherming van de zogeheten Rubiks kubus.

De hoofdregel: Een werk is auteursrechtelijk beschermd indien het een eigen oorspronkelijk karakter bezit en het persoonlijk stempel van de maker draagt.

In deze uitspraak ging het om de Rubiks kubus die u wellicht nog kent uit met name de jaren tachtig. Het was toen een ware rage.  Een puzzel in de vorm van een kubus met elk zijvlak in een andere kleur waarbij elke rij met blokjes zowel horizontaal als verticaal kan worden gedraaid. Het doel is om door de rijen op de juiste manier te draaien de zes zijvlakken van de kubus weer een egale kleur krijgen.

De bedenker/maker van de kubus beriep zich in deze zaak onder meer op auteursrechtelijke bescherming van a) de kubus als hoofdvorm, b) de samenstelling daarvan uit verschillende kleinere elementen en c) de ‘360-graden-draaibaarheid’ van de kubus.

Volgens de Hoge Raad komen al deze elementen niet voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking, nu deze elementen louter een technisch effect dienen of te zeer het resultaat zijn van een door technische uitgangspunten beperkte keuze. 

De Hoge Raad voegde daar aan toe dat de enkele omstandigheid dat hetzelfde idee op uiteenlopende wijze kan worden vormgegeven, niet meebrengt dat de gekozen vormgeving een zogeheten eigen oorspronkelijk karakter heeft en voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komt.

Wel kwamen de zes gekleurde vlakken van de kubus (rood, oranje, geel, groen, blauw en wit) voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking, nu daarmee wel aan het zogeheten ‘oorspronkelijkheidscriterium’ is voldaan. De keuze van de kleuren van de kubus is niet door technische of functionele eisen bepaald. 

Nu de inbreukmaker kubussen op de markt had gebracht in eenzelfde kleurstelling als de Rubiks kubus en deze een ‘gelijke totaalindruk’ hadden, was in dit geval toch sprake van auteursrechtschending.

Deze uitspraak maakt weer eens duidelijk dat technische/functionele  elementen  zich veelal lastig tot niet auteursrechtelijk laten beschermen.
 

 
Ondernemers- en huwelijkse voorwaarden
9 september 2014
Bron: Kolkman Advocaten
Het standaard advies is om als ondernemer huwelijkse voorwaarden op te laten maken om de onderneming te beschermen bij het eventueel stranden van het huwelijk. In die voorwaarden staat dat er jaarlijks moet worden afgerekend. Anders zal alsnog de waarde van de onderneming verrekend moeten worden. 

Maar hoe zit het dan met de rekeningcourantschuld van de directie aan de BV? Veel ondernemers nemen voor bijzondere uitgaven geld op uit hun onderneming. Daardoor ontstaat er een schuld in rekening-courant aan de onderneming. Wordt dat ook meegenomen bij een verrekenbeding bij een echtscheiding? Volgens een recente uitspraak van het Hof Den Haag is dat niet het geval. De waarde van de aandelen in de BV moest de ondernemer bij de echtscheiding verrekenen met zijn ex-echtgenote maar de schuld in rekening-courant was een persoonlijke schuld van de man aan zijn vennootschap en die mocht niet meegenomen worden bij de afrekening van het huwelijk. 

In dat geval was de ondernemer dus beter af geweest als hij in gemeenschap van goederen was gehuwd. Dat was natuurlijk nooit de bedoeling maar wel de uiteindelijke uitkomst als u het niet goed regelt!
 

 
Bestuurdersaansprakelijkheid voor belastingschulden
9 september 2014
Bron: Kolkman Advocaten
Het klinkt verleidelijk om, als u even de liquiditeit niet hebt, de belasting niet op tijd te betalen i.p.v. de lonen of de leveranciers. Als u dat één maand doet, levert dat niet direct een boete op, maar de kans bestaat dat u ook daarna niet in staat bent tijdig aan uw betalingsverplichtingen te voldoen en dat u dan die achterstand bij de Belastingdienst niet in kunt halen. Hebt u dan geen melding betalingsonmacht gedaan bij de Belastingdienst dan bent u als bestuurder privé aansprakelijk voor de belastingschuld van de onderneming. Ook wanneer u geen aandeelhouder bent en daar dus zelf niet beter van wordt. 

U staat er misschien niet zo gauw bij stil maar er kan ook een belastingschuld ontstaan als er, door een fout van een accountant, geen juiste aangifte is gedaan. Bijvoorbeeld als vergeten wordt de BTW over de verkoop van een pand in de aangifte te betrekken. Kunt u zich als bestuurder dan achter de fout van de accountant verschuilen? De Hoge Raad oordeelde in een arrest van 8 augustus 2014 dat de kennis en het inzicht van degene aan wie de vennootschap het doen van aangifte opdraagt (de accountant) aan de vennootschap kan worden toegerekend. De vennootschap is dus aansprakelijk voor de belastingschuld; dat is ook logisch want de vennootschap heeft de BTW wel ontvangen maar niet afgedragen.

Maar de bestuurder privé is in dit geval niet aansprakelijk volgens de Hoge Raad omdat in het aansprakelijkheidsrecht een ieder in beginsel alleen voor zijn eigen daden en nalatigheden aansprakelijk is.
 

 
Is drugs gebruik in de privésfeer reden voor ontslag op staande voet?
9 september 2014
Bron: Kolkman Advocaten
De Hoge Raad oordeelde in het arrest Dirksz/Hyatt dat er geen onderscheid gemaakt hoeft te worden tussen drugsgebruik in de privésfeer en op het werk en dat een ontslag op staande voet op die grond gerechtvaardigd is. 

Toch oordeelde de kantonrechter in Hoorn onlangs dat drugsgebruik in de privésfeer in zijn algemeenheid geen reden voor ontslag op staande voet is. Wel wanneer de drugs op het werk of tijdens het woon-werkverkeer worden gebruikt. Het ontslag op staande voet is dan ook nietig en de werkgever wordt veroordeeld tot doorbetaling van het loon met een boete. 

Waarom de kantonrechter zo afwijkt van de uitspraak van de Hoge Raad in de Dirksz/Hyatt-arrest is wellicht te verklaren uit het feit dat de werknemer in die casus een casinomedewerkster betrof en er een streng antidrugsbeleid gevoerd werd door het casino en het casino er belang bij had haar goede naam en aantrekkelijkheid voor de gasten te behouden en de werkneemster, die een representatieve functie uitoefende en na de ontdekking weigerde deel te nemen aan haar rehabilitatieprogramma. Het voeren van een zerotolerancebeleid is dan kennelijk de enige  houvast voor een werkgever.
 

 
Curator onderzoekt of Eduper Groep verder kan na bankroet moeder
19 juli 2014
Bron: De Twentsche Courant Tubatia
ENSCHEDE – Curator Eddy Kolk­man onderzoekt of de Eduper Groep zelfstandig verder kan na het faillissement van moederbe­drijf H3 Enschede Holding. De di­rectie van H3 vroeg afgelopen woensdag zelf het faillissement aan.

H3 is volledig eigenaar van de Eduper Groep én van NSL Hol­ding. Eduper bestaat sinds 2005 en ontwikkelt scholingstrajecten voor bedrijven en instellingen. Bo­vendien heeft het een detache­ringstak en een unit die software ontwikkelt: DockLink. Bij Eduper en zusberbedrijf NSL werken vol­gens curator Kolkman 35 mensen in vaste dienst en 40 op detache­ringsbasis.

Eduper groeide in de eerste jaren na de oprichting snel. Het bureau hielp bedrijven bij het bijscholen van personeel. Daarbij werd gebruik gemaakt van de mo­gelijkheden die deWet verminde­ring afdracht loonbelasting (WVA) bood. Via deze wet kre­gen werkgevers korting op de loonheffing als personeel werd bij­schoold op een roc of hogeschool en daarbij een officieel erkend di­ploma behaalde. Deze fiscaalvrien­delijke regeling is begin dit jaar echter geschrapt, waardoor ook het verdienmodel van Eduper deels verdween.

Bovendien trokken de roc’s zich grotendeels terug van deze markt van scholing voor bedrijven. Het antwoord van H3 Holding op de­ze laatste ontwikkeling heette Global Academy. H3 Holding ging in 2010 via Global Academy met deels freelance ingehuurde docenten zelf onderwijs verzor­gen en was met 5.000 cursisten één van de grootste in haar soort. Global Academy kwam echter in opspraak na een kritisch rapport van de Inspectie van het Onder­wijs over twee van haar opleidin­gen. „Die negatieve publiciteit deed het bedrijf geen goed. Het aantal cursisten is daarna fors ge­daald”, zegt curator Kolkman.

Lees verder...
 

 
Autodemontage Almelo / faillissement
5 februari 2014
Bron: De Twentsche Courant Tubantia

Fout, maar niet crimineel

De Almelose autosloper Harout Bardqiman vertrok in maart 2013 met de noorderzon. Hij zit nu in Koerdistan. ERBIL - Bardqiman liet een prestigieus bedrijfspand in aanbouw en tal van schuldeisers achter. hij wordt nu verdacht van faillissementsfraude.

Vanuit zijn nieuwe woonplaats in Iraaks Koerdistan wil hij zijn naam zuiveren. De BMW waarmee hij voorrijdt is van de vader van zijn compagnon. Ik heb alleen maar schulden, zegt Harout Bardqiman. Ik leef van wat mijn vader en mijn broer me toeschuiven.

Lees verder...
 

 
Autodemontage Almelo / faillissement
23 november 2013
Bron: De Twentsche Courant Tubantia

ALMELO - Curator mr. Eddy Kolkman heeft aangifte van faillissementsfraude gedaan tegen Harout Bardqiman en Karwan Hassan. Zij zijn de eigenaren van Auto Demontage Almelo (ADA).

Het bedrijf werd eerder dit jaar failliet verklaard. Kolkman had tijdens zijn onderzoek al geconstateerd dat er verschillende zaken rond het faillissement waren die niet in de haak zijn. Uit het onlangs verschenen tweede faillissementsverslag blijkt dat de curator aangifte van faillissementsfraude heeft gedaan. De aangifte is gedaan bij het speciale meldpunt Faillissementsfraude van het Openbaar Ministerie.


Lees verder...
 

 
spacer
spacer Kolkman Advocaten voor ondernemers | Twentepoort Oost 55a Almelo | info@kolkman.nl JURIDISCH ADVIES | ALGEMENE VOORWAARDEN | LINKS | DISCLAIMER